maken had. Hij kwam vlak voor Paulus staan
en trok aan de leren
riem bij zijn hoofd.
Feya's benen trilden. Paulus moest helpen,
dit was helemaal niets
voor haar. Paulus rende een stukje vooruit tot hij bij wat nat
gras
kwam met flinke modderplekken ertussen. Daar remde hij
hard,
wipte Feya van zijn rug en rende snel weer verder. Hij rende
door
tot hij een rustig plekje had gevonden. Daar bleef hij staan, op
Feya
wachten.
„Kom hier Paulus!" riep de meneer met de
boze stem, die hem
hijgend achterna was gerend. Maar dat was de laatste op wie
Paulus
stond te wachten. Toen hij dichterbij kwam gooide Paulus zijn
ach-
terbenen de lucht in. Precies op tijd, en hard. Nog sneller en
bozer
dan hij gekomen was maakte de meneer dat hij weer
wegkwam,
zodat het plekje dat Paulus gevonden had weer een rustig
plekje
werd.
Eindelijk kwam Feya eraan. Met modder op
haar laarzen, kleren in
de war. Zoals het hoort. Paulus liep naar haar toe. Toen hij vlak
voor
haar stond, liet hij zijn hoofd zakken en duwde er zachtjes
mee
tegen Feya aan.
Ze aaide hem over zijn borstelige haren.
„Sorry Paulus," fluisterde ze in zijn oor, „dit is niks voor jou."
Bijzonderheden
Toen de eerste oerpaarden de
wereld over trokken op zoek
naar een plek om te leven,
belandden sommige in barre
streken, waar ze weinig contact
hadden met andere paarden. Er
was daar weinig voedsel en veel
wind, regen en kou, waardoor
de paarden die daar leefden
klein bleven en een ruige vacht
kregen.
Dit waren de pony's. Zoals
bijvoorbeeld de Noorse pony's,
die later, toen de zee bevroren
was, naar de Shetland Eilanden
trokken om de allerergste kou
van de ijstijd te ontvluchten.
Daar leefden ze van kleine pluk-